• Word gratis lid
  • Investeer in Mensenrechten

VTM mag ‘Cold Case’ toch uitzenden van de rechter

17 juni 2019

Het resultaat is juist, nu nog de redenering…

       

Geschreven door Elke Cloots [*] en Thomas Van Diest [**] voor het juli 2019 nummer van het Tijdschrift voor Mensenrechten. [***]

Het Antwerpse parket eiste in kortgeding een uitzendverbod van de tv-reeks ‘Cold Case’. Hoewel de voorzitter de vordering afwees, toont zijn beschikking aan dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omtrent preventieve uitzendverboden nog niet ten volle is doorgedrongen tot de Belgische rechtbanken.

In de gloednieuwe reportagereeks ‘Cold Case’ wordt de onopgehelderde moord op Sally Van Hecke belicht. Het levenloze lichaam van de aan heroïne verslaafde prostituee werd in 1996 aangetroffen op het strand van Sint-Anneke te Antwerpen. Het gerechtelijk onderzoek eindigde echter op een dood spoor en bleef lange tijd inactief. De dader werd nooit gevonden. In 2005 besloot journalist Kurt Wertelaers zelf op onderzoek uit te trekken. Hij nam contact op met Sally’s familie en met andere betrokkenen en ploos het gehele dossier nogmaals uit. Zijn ontdekkingen deelde Wertelaers in september 2017 mee aan het Antwerpse parket. Op basis daarvan werd het gerechtelijk onderzoek gereanimeerd: er werden nieuwe huiszoekingen verricht, DNA-stalen afgenomen, enz. Het strafonderzoek zou momenteel nog volop aan de gang zijn.

Tegelijkertijd mondde het journalistieke speurwerk ook uit in de vijfdelige televisiereeks ‘Cold Case’, die vanaf 7 februari 2019 te zien zou zijn op VTM. In de aankondiging werd benadrukt dat de makers van de reportage de dader menen te hebben ontmaskerd: “ze brengen een hoofdverdachte naar voor” en “ze hopen de nabestaanden eindelijk het antwoord te geven”.

Het parket van Antwerpen kantte zich evenwel tegen de uitzending van de reeks, ter bescherming van het gerechtelijk onderzoek en van de rechten van de slachtoffers en de eventuele verdachten. Op 6 februari 2019, één dag voor de uitzending, spanden de Belgische Staat en het Openbaar Ministerie een kortgeding aan bij de voorzitter van de Brusselse Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, met de eis om de uitzending te verbieden onder verbeurte van een dwangsom.

Op de dag van de geplande uitzending verklaarde de (plaatsvervangend) voorzitter de vordering ontvankelijk, maar ongegrond. Het gevraagde uitzendverbod kon volgens de voorzitter niet worden opgelegd. De voorzitter steunde zijn besluit op de premisse dat een preventief uitzendverbod een zodanig verregaande inmenging in de vrijheid van meningsuiting vormt, dat het enkel te verantwoorden valt om voldoende zwaarwichtige redenen. Inbreuken op de journalistieke deontologie of kwalitatieve gebreken in het journalistieke onderzoek behoren daar niet toe. Slechts indien de journalist ofwel een strafrechtelijke norm heeft geschonden, ofwel het strafonderzoek en het strafproces dwarsboomt, zou een preventief uitzendverbod gerechtvaardigd kunnen zijn. Geen van beide omstandigheden waren hier echter voorhanden. Ten eerste achtte de voorzitter het niet bewezen dat de reportagemakers de strafwet hadden overtreden. Ten tweede wogen het belang van het strafonderzoek en de rechten van de daarbij betrokken personen (slachtoffers en verdachten) volgens de voorzitter in dit concrete geval niet op tegen de persvrijheid.

In zijn belangenafweging stond de voorzitter vooral stil bij de duur van het gerechtelijk onderzoek naar de moord, dat intussen al meer dan twintig jaar aansleept. Hoe meer tijd een gerechtelijk onderzoek in beslag neemt, hoe meer maatschappelijke vragen er kunnen rijzen over het misdrijf én over het onderzoek. Tevens vergroot de kans dat steeds meer informatie over het onderzoek publiek toegankelijk wordt, terwijl het risico op verlies van cruciaal bewijsmateriaal kan afnemen. In die context wint de persvrijheid aan gewicht, terwijl het risico op schade aan het onderzoek mogelijk daalt, zo besloot de voorzitter. Dit geldt des te meer wanneer het gerechtelijk onderzoek, zoals hier, net gereactiveerd werd n.a.v. journalistiek onderzoek. Het tegenargument dat in het programma een concrete schuldige zou worden aangewezen, waardoor geen onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke beoordeling van de zaak meer mogelijk zou zijn, wees de voorzitter van de hand. Het strafonderzoek en het latere strafproces moeten immers los worden gezien van het journalistieke werk.

Op zich valt het toe te juichen dat de voorzitter de uitzending van de reportagereeks niet verbood. Toch stemt de uitspraak niet onverdeeld tevreden. In plaats van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid ad hoc af te wegen tegen daarmee botsende belangen, had de rechter de eis om een preventief uitzendverbod bij voorbaat van tafel moeten vegen. In het arrest RTBF t. België van 29 maart 2011 oordeelde het EHRM namelijk dat er in België geen voldoende precieze wettelijke basis voorhanden is voor een dergelijk verbod. De hoogste Belgische rechtscolleges zijn het immers grondig oneens over de vraag of onze Grondwet preventieve maatregelen enkel verbiedt ten aanzien van de geschreven pers (Hof van Cassatie), of ook ten aanzien van de audiovisuele media (Grondwettelijk Hof). Bij gebrek aan duidelijke en consistente nationale rechtspraak, is het onmogelijk voor mediabedrijven om de consequenties van hun radio- en tv-uitzendingen in België in redelijke mate te voorzien. Nochtans moeten staten, als zij al preventieve uitzendverboden toelaten,[1] over een wettelijk kader beschikken dat zowel een strikte controle op de omvang van dergelijke verboden verzekert, als een daadwerkelijk rechterlijk toezicht om misbruiken te voorkomen. Zolang er in België geen (grond)wettelijk kader bestaat dat aan die strenge eisen voldoet, is elk rechterlijk verbod om een tv-programma uit te zenden per definitie in strijd met artikel 10 EVRM. Geen belangenafweging die daaraan iets zou kunnen veranderen. Correcter ware het dan ook geweest indien de Brusselse rechter deze achterwege had gelaten.

De hamvraag is natuurlijk of het überhaupt wenselijk is dat België in een (grond)wettelijk kader zou voorzien dat preventieve uitzendverboden met betrekking tot audiovisuele media uitdrukkelijk toestaat. Een belangrijk argument voor het toelaten van dergelijke verboden zou kunnen zijn dat de audiovisuele media – en dan in het bijzonder televisie – vaak een veel directere en krachtigere uitwerking hebben dan de geschreven pers.[2] Zeker wanneer het gaat om erg persoonlijke of zelfs intieme beelden, of wanneer de beelden zijn gemaakt op privaat terrein of met een verborgen camera, kan de uitzending ervan enorme en onherstelbare schade aanrichten aan de betrokkene.[3] Vanuit die optiek kan het passend lijken om preventieve beperkingen niet absoluut uit te sluiten ten aanzien van audiovisuele media, maar in strikt omschreven gevallen toch toe te laten.

Hiertegen kan echter worden ingebracht dat niet alleen bewegende beelden, maar ook foto’s die gepubliceerd worden in kranten en magazines de afgebeelde persoon bijzonder kunnen schaden.[4] Het argument gebaseerd op impact en schade kan dan ook moeilijk verantwoorden waarom een televisie-uitzending, laat staan een radio-uitzending, onder omstandigheden wél preventief kan worden verboden, maar de publicatie van een foto in de geschreven pers nooit.

Daarenboven zijn er ook belangrijke principiële argumenten tegen een preventief uitzendverbod. Om te beginnen zijn preventieve maatregelen hoe dan ook uiterst belastend voor de vrijheid van meningsuiting. Audiovisuele programma’s worden zelfs op voorhand aangekondigd, waardoor de kans vergroot dat mensen die vrezen in een programma te worden bekritiseerd, naar de kortgedingrechter zullen stappen om de uitzending te voorkomen. Die kortgedingrechter moet dan erg snel een beslissing nemen en zal de vrijheid van meningsuiting geval per geval afwegen tegen conflicterende belangen. Het risico is reëel dat dit tot erg uiteenlopende rechtspraak zal leiden, en dat omroeporganisaties er zelfs voor zullen terugdeinzen om meer controversiële informatie en ideeën nog aan te bieden aan hun kijkers.[5]

Daarnaast mogen we niet uit het oog verliezen dat een absoluut verbod op preventieve maatregelen, ook wat audiovisuele media betreft, beter aansluit bij de geest van de Belgische Grondwet. Uiteraard kon de constituante in 1831 het bestaan van audiovisuele media nog niet bevroeden, maar had zij dat wel gekund, dan had zij preventieve maatregelen wellicht ook ten aanzien van die media uitgesloten. De afkeer van elke vorm van censuur was immers erg groot onder de leden van de Volksraad. Meer nog, volgens sommige constitutionalisten behoort het absolute verbod op preventieve maatregelen tot de Belgische grondwettelijke kernwaarden of ‘constitutionele identiteit,’[6] die het Grondwettelijk Hof in 2016 heeft aangekondigd bijzonder te zullen beschermen, desnoods tegen het Europees en internationaal recht in.[7] Aangezien het voor de legitimiteit van grondwetten belangrijk is dat zij stabiliteit en continuïteit bieden,[8] is het beter om niet al te lichtzinnig aan de Belgische Grondwet te gaan sleutelen, laat staan aan haar kern te raken. In tegenstelling tot wat de recente academische debatten over de herziening van de Grondwet doen uitschijnen, is alles bij het oude laten doorgaans te verkiezen in het grondwettelijk recht, tenzij erg dwingende redenen toch tot een wijziging nopen. Of om een gekende boutade van onder het stof te halen: de Grondwet is geen vodje papier.


Voetnoten

[*] Prof. Dr. Elke Cloots is docent mediarecht UA en advocaat.

[**] Thomas Van Diest is advocaat.

[***] Dit stuk verscheen als artikel in het Tijdschrift voor Mensenrechten in juli 2019 (nr.2, pp. 13-15). Vond je het interessant en wil je nog meer lezen? Abonneer je dan op het Tijdschrift voor Mensenrechten. Het Tijdschrift voor Mensenrechten is een uitgave van de Liga voor Mensenrechten en komt vier keer per jaar uit. De redactie is autonoom.

[1] Het EHRM acht preventieve beperkingen van de vrijheid van meningsuiting niet per definitie onverenigbaar met artikel 10 EVRM, al onderwerpt het dergelijke beperkingen wel aan “the most careful scrutiny”. Zie bv. EHRM, RTBF t. België, 29 maart 2011, § 105 en de daar aangehaalde rechtspraak. 

[2] Vergelijk EHRM, Jersild t. Denemarken, 23 september 1994, § 31; Alpha Doryforiki Tileorasi Anonymi Etairia

t. Griekenland, 22 februari 2018, § 48. Zie ook US Supreme Court, F.C.C. v. Pacifica Foundation, 438 U.S. 726, 748 (1978).

[3] Zie bv. EHRM, Alpha Doryforiki Tileorasi Anonymi Etairia t. Griekenland, 22 februari 2018, § 48.

[4] Zie bv. EHRM, Von Hannover t. Duitsland (nr. 1), 24 juni 2004, § 59; Von Hannover t. Duitsland (nr. 2), 7 februari 2012, § 103.

[5] Zie bv. EHRM, RTBF t. België, 29 maart 2011, §§ 105 en 114.

[6] Zie bv. A. Alen, “De nationale identiteit – Slotwoord”, T.B.P. 2017, 370-371; E. Cloots, ‘Het mysterie van de Belgische nationale en constitutionele identiteit,’ T.B.P. 2017, 320; Ph. Gérard en W. Verrijdt, ‘Belgian Constitutional Court Adopts National Identity Discourse,’ 13 European Constitutional Law Review, 2017, 182, 202.

[7] GwH, nr. 62/2016, 28 april 2016, B.8.7.

[8] J. Raz, ‘On the Authority and Interpretation of Constitutions: Some Preliminaries,’ in L. ALEXANDER (red.), Constitutionalism. Philosophical Foundations, Cambridge, Cambridge University Press, 1998, 174-176.

Reageer

Reacties worden gemodereerd. Onaanvaardbare inhoud wordt niet gepubliceerd.

Nieuwsbrief

Ontvang onze nieuwsbrief