• Word gratis lid
  • Investeer in Mensenrechten

Over discriminatie: bewijs en bestrijding krijgen nieuw elan

04 april 2018

TvMR sprak met sociologen Pieter-Paul Verhaeghe en Dounia Bourabain

       

Geschreven door: Saïla Ouald Chaib & Dominique De Meyst * voor het maart nummer van het Tijdschrift voor Mensenrechten **

Discriminatie wordt hoe langer hoe subtieler en dus ook moeilijker aan te tonen. Verschillende stemmen gaan daarom op om praktijktesten en mystery shopping in te zetten in de strijd tegen discriminatie. Enkele maanden geleden bracht Pieter-Paul Verhaeghe, professor aan de VUB, het boek “Liever Sandra dan Samira” uit, waarin hij de technieken haarfijn bestudeert. Dounia Bourabain, doctoraatsonderzoekster aan de VUB, gebruikte ook de techniek van praktijktesten in het onderzoek voor haar masterproef rond discriminatie tijdens het winkelen. Ze haalde met haar onderzoek de shortlist van de Vlaamse scriptieprijs en won de Acco Thesisprijs voor de beste thesis in de sociologie in 2017. Wij spraken met hen over de waarde van de verschillende testen, over de strijd tegen discriminatie en over de rol van de wetenschap(per).

TvMR: Het gesprek voeren over racisme en discriminatie blijft moeilijk. Dat bleek ook toen Dounia haar onderzoeksresultaten uitbracht. Hoe verklaren jullie dat?

DOUNIA: In Vlaanderen is er, in vergelijking met Nederland en het Verenigd Koninkrijk, geen debatcultuur. Van kindsbeen af wordt er ook veel te weinig aandacht besteed aan onderwerpen zoals racisme en discriminatie. Er is ook amper zichtbare diversiteit in belangrijke socialisatievelden zoals de media en het onderwijs. In het onderwijs hebben we bijvoorbeeld nog steeds te maken met een weinig divers leerkrachtenkorps en kampen we nog met het onderscheid tussen witte en zwarte scholen. Kinderen komen daardoor nog steeds te weinig in contact met diversiteit en daar moeten we meer op inzetten.

PIETER-PAUL: Een tweede punt is dat we te krampachtig omspringen met onze eigen vooroordelen. Een van de basisideeën van mijn boek is dat we allemaal in hokjes denken. In plaats van beschuldigend naar elkaar te wijzen en het debat verkrampt te voeren, kunnen we veel beter die vooroordelen erkennen en nadenken over wat we eraan kunnen doen om ze niet in discriminerend gedrag te doen uitmonden. Daarvoor kunnen praktijktesten een eye-opener zijn, want veel van onze vooroordelen zijn eigenlijk onbewust. Praktijktesten kunnen die blootleggen, waardoor we het gesprek kunnen aangaan. Voor een gesprek moet je natuurlijk met twee partners zijn die willen praten en die alletwee een gelijke status hebben. Soms kom je er niet met praten alleen en is lichte dwang nodig. Het is een en-en-aanpak. Een strikt onderscheid tussen sensibilisering langs de ene kant en sanctionering langs de andere kant is echter een vals onderscheid: enerzijds moet je voor sensibilisering ook wat dwang hebben; anderzijds lukt puur sanctioneren niet zonder te sensibiliseren. De twee eigenlijk op elkaar inspelen.

TvMR: Zien jullie praktijktesten dan in de eerste plaats als een instrument om te sensibiliseren?

DOUNIA: Ik geloof wel dat je praktijktesten kan inzetten om te sensibiliseren en vooroordelen aan te pakken. Dat is de zachte aanpak. Daarnaast kunnen ze ook gebruikt worden om te sanctioneren, bijvoorbeeld wanneer werkgevers meermaals op discriminatie worden betrapt. De zachte aanpak is een eerste stap, maar als dat niet lukt, dan moet je overgaan naar een sanctionerende aanpak.

PIETER-PAUL: Ik vind de gefaseerde aanpak van stad Gent heel goed. Ze starten met proactieve praktijktesten bij alle makelaars en verhuurders op de woningmarkt en we zien dat die globale praktijktesten de discriminatie al doen dalen. Als je weet dat je gecontroleerd wordt, ga je bewuster en professioneler handelen en ga je minder toegeven aan die onbewuste vooroordelen. Dit is het zogenaamd flitspaaleffect. Als je de kans hebt om geflitst te worden, ga je bewuster en trager rijden. Daarna kunnen er testen plaatsvinden op individuele makelaars of werkgevers om te kijken wie de antidiscriminatiewetgeving (ADW) schendt. Met die schenders moeten we een gesprek aangaan, want het kan nog altijd zijn dat ze de ADW niet kennen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij kleine verhuurders of KMO’s. We moeten natuurlijk niet naïef zijn: als ze blijven discrimineren moet je ook praktijktesten kunnen inzetten om gerechtelijk in te grijpen. Het proces verloopt dus in drie fasen: eerst sensibiliseren op collectief niveau, daarna proactief testen op individueel niveau en tot slot reactief praktijktesten inzetten met als doel sanctionering.

TvMR: Geldt dit ook voor de kleine verhuurder? Want je zegt in je boek dat dat niet evident is.

PIETER-PAUL: Idealiter geldt dit ook voor de kleine verhuurder. Het is minder evident: om betrouwbare uitspraken te kunnen doen, moet je verhuurders meermaals kunnen testen, om de factor ‘toeval’ bij een eventuele positieve praktijktest uit te sluiten. Wie weet is de verhuurder per toeval iemand vergeten uit te nodigen. Dat kan één keer toevallig Mohamed zijn, maar niet drie of vier keer. Het probleem is dat de kleine verhuurder slechts één of twee appartementen verhuurt, waardoor het moeilijk is om tot statistisch significante resultaten te komen. Ik denk dat je vijf à tien testen nodig hebt om een vermoeden van discriminatie betrouwbaar te kunnen aantonen. Je moet eigenlijk een evenwicht vinden in genoeg testen doen om statistisch nuttig te zijn, maar niet zoveel dat je er de verhuurder of de kleine KMO mee overbelast, zeker als zou blijken dat ze bonafide zijn.

TvMR: Waar ligt dat evenwicht?

PIETER-PAUL: Professionals die redelijk wat job- of huuradvertenties hebben, kan je gerust tien keer per jaar testen. Bij particulieren zou ik ier à vijf keer testen en de resultaten daarvan bekijken, in combinatie met praktijktesten wanneer er over specifieke verhuurders klachten zijn.

DOUNIA: Helaas is discriminatie veel subtieler geworden. Als een verhuurder meegeeft dat een huis al verhuurd is, dan weet je eigenlijk zelf niet of dat klopt en of je misschien wel wordt gediscrimineerd. Hierdoor worden testen moeilijker om uit te voeren.

PIETER-PAUL: Het is ook belangrijk om de burgerrechtelijke procedure te onderscheiden van de strafrechtelijke- en tuchtrechtelijke procedures. In een burgerrechtelijke procedure volstaan praktijktesten om de bewijslast om te keren: in dat geval zijn vermoedens van discriminatie voldoende en om zo’n vermoeden tot stand te brengen volstaan één à twee praktijktesten. Sociologen en statistici zijn echter veel strenger. Voor ons moet er meermaals een ongelijke behandeling blijken uit de praktijktesten vooraleer we van een vermoeden van discriminatie zullen spreken. Juristen zijn hier minder streng en bekijken het geval per geval. Bij tuchtrechtelijke procedures hangt het bewijs af van het tuchtorgaan. Het BIV [Beroepsinstituut voor Vastgoedmakelaars] bijvoorbeeld, dat door de overheid wordt gefinancierd, zegt dat het niet hun bevoegdheid is om praktijktesten af te nemen en in de praktijk blijkt duidelijk dat discriminatie voor hen geen prioriteit is. De strafrechtelijke procedure tot slot is slechts van toepassing op het raciaal discriminatiecriterium in bepaalde domeinen van de maatschappij (en van het toepassingsgebied van de ADW). In deze procedure moet je een intentie tot discrimineren kunnen aantonen. Daar pleit ik voor praktijktesten en mystery shopping waaruit het discriminerend gedrag (en niet louter een vermoeden) én de intentie ertoe kunnen blijken.

TvMR: Wat is volgens jullie de belangrijkste uitdagingen voor het recht?

PIETER-PAUL: Er moet meer kruisbestuiving komen tussen de sociale wetenschappen en het recht. We moeten elkaars methodes beter leren kennen. Het is voor mij bijvoorbeeld een grote vraag hoe de redenering rond statistisch vermoeden van discriminatie al dan niet in de rechtbank gehanteerd zou worden.

TvMR: Als een vermoeden statistisch relevant moet zijn, is het moeilijker voor het slachtoffer om discriminatie aan te tonen en de bewijslast om te keren. Dat is niet in dienst voordeel.

PIETER-PAUL: Inderdaad, maar het is wel overtuigender. Praktijktesten zijn immers een nieuw instrument dat in de Belgische rechtbanken nog zelden is gebruikt.

TvMR: Twee hoofddoelen van praktijktesten zijn preventie en bewijs. Zouden de testen ook een rol kunnen spelen in het aantonen van structurele discriminatie? Kunnen praktijktesten gezien worden als een vorm van dataverzameling om discriminatie in de praktijk aan te tonen op een bredere schaal? Is dat haalbaar en nuttig?

PIETER-PAUL: In de VS gebeurt dat al drie decennia op de woningmarkt. Men voert er elke tien jaar een grootschalige doorlichting door op basis van praktijktesten om discriminatie aan te tonen. We zien dat op basis van die monitoring de discriminatie daalt. Ik ben dus zeker een voorstander om dat hier ook te doen. Unia doet dit al gedeeltelijk met de jaarlijkse discriminatiemonitoring, maar eigenlijk zou het nog systematischer moeten gebeuren.

DOUNIA: Ik denk ook dat je praktijktesten kan gebruiken voor dataverzameling. In mijn onderzoek heb ik dat gedaan aan de hand van mystery shopping, door telkens twee kandidaten naar winkels te sturen. Dat ging telkens om een test- en controlepersoon die verschilden op basis van etniciteit. Ze voerden allebei eenzelfde opdracht uit: ze gingen een winkel binnen, zochten een bepaald kledingstuk uit en vroegen dan hulp van dezelfde winkelbediende, met name vroegen ze naar een kledingstuk in een andere maat. Op basis van deze testing hebben we een aantal indicatoren onderzocht en statistische gegevens verzameld die ons in staat stellen om algemene vaststellingen te doen. Als iets statistisch significant is, mag je dat namelijk veralgemenen naar de bredere samenleving.

PIETER-PAUL: Inderdaad, als je steekproef willekeurig is, met andere woorden als je niet enkel specifieke winkels hebt geselecteerd, dan kan je het veralgemenen naar de bredere populatie van winkels. Ik wacht trouwens nog steeds op de consumentenorganisatie Testaankoop om die rol op zich te nemen. Dounia heeft uiteindelijk pionierswerk geleverd. Het is nu aan Testaankoop om dit werk verder te zetten door regelmatig zelf een doorlichting van de winkels uit te voeren.

TvMR: Er is heel wat kritiek op praktijktesten en mystery calls. Men zegt onder meer dat het om uitlokking gaat of, in het geval van mystery calls, dat het enkel de intentie meet, maar niet het gedrag. Wat is bijgevolg volgens jullie de juridische meerwaarde van deze technieken?

PIETER-PAUL: In een strafrechtelijke procedure is provocatie door een (politie)ambtenaar verboden. Er kan dus enkel sprake van provocatie zijn wanneer het een ambtenaar of een politie-inspecteur is die tijdens het uitvoeren van praktijktesten deloyale handelingen stelt. In een burgerrechtelijke procedure speelt provocatie wettelijk gezien geen rol. Daarnaast kan er ook een ethische afweging gemaakt worden met betrekking tot het uitlokkingselement. Bij praktijktesten stel je geen discriminerende vraag stelt, maar vergelijk je gewoon twee vergelijkbare situaties. Een test wordt bijvoorbeeld uitgevoerd door iemand met een Arabisch klinkende naam en iemand met een Vlaamse naam. Je vraagt in dit geval niet om te discrimineren en je lokt ook niets uit. Je test gewoon hoe een persoon of bedrijf reageert in een praktijksituatie op twee verschillende profielen die vrij gelijkaardig zijn, op hun discriminatiegrond na. Bij praktijktesten is er dus geen probleem, noch op juridisch vlak, noch op ethisch vlak. Bij mystery shopping is dat anders. Daar stel je wel een discriminerende vraag. Je vraagt bijvoorbeeld aan een makelaar om niet te verhuren aan een allochtoon. Dan geef je wel een opdracht tot discriminatie. In de rechtsleer wijzen verschillende juristen op het feit dat het om een fictieve vraag gaat en er niet effectief een discriminatie zal komen. Het is niet omdat je die vraag stelt dat je effectief ook een woning te huur stelt. Er is dus nooit sprake van eigenlijke discriminatie, waardoor je de wet niet overtreedt.

Ethisch gezien moet je de volgende vraag stellen: weegt die ene inbreuk, namelijk het peilen naar de intentie tot discriminatie op tegenover het bewijsmateriaal dat je kunt verzamelen door die vraag te stellen. Het feit dat mystery shopping enkel een intentie meet is geen probleem als je sensibiliserend te werk gaat of het instrument gebruikt om een probleem aan te kaarten. Als je een juridische procedure voor ogen hebt, kan je mystery shopping best combineren met een praktijktest waar er naast een intentie ook een ongelijke behandeling kan waargenomen worden. Als makelaar kan je anders altijd zeggen: “Ik ben weliswaar akkoord gegaan met de discriminerende vraag, maar ik was niet van plan om de wens van de vragende persoon na te leven.”

Sommige critici beweren ook dat men bij praktijktesten een valse identiteit aanneemt. Nu, dat hoeft niet het geval te zijn bij praktijktesten. In Gent bijvoorbeeld hebben we met vrijwilligers gewerkt om discriminatie op de huurmarkt aan te tonen. Die vrijwilligers gebruikten hierbij hun echte identiteit. Dat vergt een uitgebreide training van de vrijwilligers. Tegelijk is het niet verboden om een valse identiteit aan te nemen in de private sfeer. Daar bestaat rechtspraak over van de Gentse rechtbank van koophandel.

TvMR: Het boek biedt achteraan een concrete handleiding aan voor het uitvoeren van praktijktesten. Wat zien jullie als de beste aanpak: het massaal inzetten op praktijktesten door individuen of op een structurele manier via organisaties praktijktesten inzetten?

DOUNIA: Het is beter dat middenveldorganisaties de praktijktesten op zich nemen, omdat praktijktesten heel goed uitgevoerd moeten worden. Mijn onderzoek bijvoorbeeld vereiste dat ik de testpersonen een goede training gaf omdat er zoveel verschillende factoren zijn die je niet kunt controleren. Daarom moet je ervoor zorgen dat het gedrag, waaronder de lichaamstaal van de testpersonen, goed gecontroleerd moet worden. Mensen kunnen in principe zelf individueel praktijktesten uitvoeren, maar het is veiliger dat organisaties dit doen die meer middelen hiervoor hebben.

PIETER-PAUL: Alles hangt af van de doelstelling van het inzetten van de testen. Er zijn verschillende actoren die praktijktesten kunnen uitvoeren. De overheid, professionele middenveldorganisaties, zelfregulering binnen een sector en particulieren. Ik denk dat het voor particulieren heel moeilijk is om dit zelf te doen. Die verantwoordelijkheid om discriminatie te bewijzen kan je moeilijk bij de slachtoffers leggen, zowel methodologisch, als qua tijdsinspanning, als psychologisch. Wat zelfregulering betreft, ben ik er niet principieel tegen zolang het transparant, geloofwaardig en betrouwbaar is. Transparantie heeft zowel betrekking op de gebruikte methode als op de globale resultaten. Federgon doet bijvoorbeeld aan zelfregulering, maar is daar bijvoorbeeld helemaal niet transparant over. Geloofwaardigheid is ook belangrijk. Dit betekent dat de testen wetenschappelijk verantwoord moeten zijn volgens een aantal criteria, liefst opgevolgd door experten en dus geen zelfbouw-praktijktesten. Ook bij het middenveld gelden dezelfde vereisten van transparantie en geloofwaardigheid. Tot slot is de overheid in principe de meest geloofwaardige kandidaat voor praktijktesten. In Brussel is men hier reeds mee aan de slag. Voor sensibilisering is het prima dat particulieren of kleine organisaties zelf testen organiseren. Wanneer het doel sanctionering is, zou de voorkeur moeten gaan naar de overheid als organisator van testen. Er kan natuurlijk ook een samenwerking plaatsvinden tussen de overheid en organisaties.

TvMR: Die testen moet uiteraard ook methodologisch in orde zijn. Zit daar een rol voor academici in vervat?

DOUNIA: Academici kunnen daar zeker een rol in spelen. Zij weten immers goed hoe wetenschappelijk onderzoek moet gebeuren, hoe je op een neutrale manier met zo’n testen van start kan gaan. Het is juist spijtig dat er tegenwoordig binnen de Vlaamse academische wereld nog maar weinig gebruik wordt gemaakt van praktijktesten. In andere landen zijn praktijktesten in de academia booming. Mochten academici het middel meer inzetten in hun onderzoek, dan zou het ook beter doorstromen als een middel voor de aanpak van discriminatie.

TvMR: Een belangrijke meerwaarde van jullie werk is het feit dat jullie erin slagen om de discriminatieproblematiek te vertalen naar mensentaal. Welke rol kunnen volgens jullie academici op zich nemen in maatschappelijk relevante thema’s en in de bredere anti-discriminatiestrijd?

PIETER-PAUL: “Ten eerste denk ik dat het vertalen van resultaten naar de bredere maatschappij, een vulgariserende rol opnemen en wetenschappelijke resultaten breed communiceren heel belangrijk is.

Ten tweede denk ik dat er bij de opstart van nieuwe beleidsinstrumenten een rol voor academici weggelegd is. Ik hoop dat wanneer Brussel begint praktijktesten uit te voeren in samenwerking met de inspectie, of wanneer de mystery calls op federaal niveau van start gaan, men bij academici ten rade zal gaan om de nieuwe instrumenten methodologisch door te lichten.

Ten derde blijft samenwerking in onderzoek van belang: er bestaat financiering voor gemeenschappelijke onderzoeksprojecten waarbij middenveld, bedrijven, overheid en academici samenwerken. Het gevaar dat hierin schuilt is dat de overheid, die dergelijke projecten uitschrijft, te veel zou beïnvloeden welke thema’s de wetenschap behandelt. Dat is een zorgwekkende trend. Als die zich voortzet, zullen er minder middelen zijn voor fundamenteel onderzoek, waarin de wetenschap autonoom bepaalt wat interessant is, en gaan de middelen vooral naar onderzoek, dat de overheid op projectbasis stuurt en financiert. Op korte termijn vallen de consequenties daarvan nogal mee, zou je denken. Op lange termijn zorgt dit systeem voor vertraging van wetenschappelijke vooruitgang en het verdwijnen van innovatie.

Dit gezegd zijnde, ben ik er absoluut geen voorstander van dat de wetenschap in haar ivoren toren zou blijven zitten en enkel met zichzelf communiceert. We moeten gewoon opletten niet in het andere uiterste te vervallen, waarin de wetenschap enkel onderzoek uitvoert op bestelling van de overheid.”

TvMR: Hoe past een organisatie als Unia in het plaatje? Welke rol kunnen zij op zich nemen, zowel wat betreft praktijktesten als in de bredere antidiscriminatiestrijd?

PIETER-PAUL: Unia staat tegenwoordig in het middelpunt van het maatschappelijk debat. Ze krijgen veel kritiek over zich heen. Een deel van die kritiek is terecht, maar veel van de kritiek heeft te maken met de politiek samengestelde raad van bestuur.

Je ziet dat een organisatie die een onafhankelijk orgaan zou moeten zijn, steeds meer politiek gestuurd wordt. De raad van bestuur moet toelating geven om naar de rechter te stappen in concrete dossiers, bijvoorbeeld.

Er waren een goeie vijfduizend klachten in 2016. Daarvan zijn er ongeveer tweeduizend individuele dossiers geopend, waarvan er achtentwintig hebben geleid tot gerechtelijke vervolging en een goeie tweehonderd buitengerechtelijk (d.w.z. door bemiddeling) zijn opgelost. Het grote probleem in de meeste van die dossiers is bewijzen verzamelen, maar een ander probleem zijn de politiek getinte beslissingen van de raad van bestuur als het op gerechtelijke actie aankomt. Eigenlijk is er niet te veel Unia, eerder te weinig. De medewerkers van Unia zijn wel heel gemotiveerd en hebben een hart voor mensenrechten, maar ze worden vaak in hun job beperkt door de politiek. Veel van de kritiek op Unia moet dus niet op Unia zelf gericht zijn, maar op politici die in hun raad van bestuur zitten.

Ik vrees eigenlijk voor de mensenrechten in België op lange termijn. België wordt op verschillende vlakken op de vingers getikt. Het is even afwachten op de volgende legislatuur en met welke politieke coalitie we dan zullen zitten.

TvMR: Wat vinden jullie van het nieuwe federale voorstel rond mystery calls?

PIETER-PAUL: Het is een heel moeilijk te lezen voorstel, maar er is wel een symbolische stap vooruit gezet. In de praktijk is het volgens mij wel een doodgeboren kind omdat er zodanig veel drempels zijn ingebouwd dat het in de praktijk vermoedelijk niet zal werken. Dus op papier is het een symbolische overwinning, maar in de praktijk gaat er niets veranderen.

Ten eerste heb je een vermoeden van discriminatie nodig vooraleer een inspecteur gaat mystery shoppen. Dounia zei eerder al dat discriminatie heel subtiel gebeurt. Het is dus ietwat absurd dat je al bijna een discriminatie moet bewijzen vooraleer mystery shopping kan worden ingezet.

Stel dat je toch een discriminatievermoeden kunt aantonen, dan moet er ten tweede nog een analyse van de sector en het bedrijf in kwestie gebeuren: men gaat kijken of de sector en het bedrijf voldoende divers zijn op statistisch niveau. Voor grote bedrijven en sectoren zal dat lukken, en zij zullen dus gemakkelijker ontsnappen aan mystery shopping. Voor kleine KMO’s is het slagen in die test al een pak moeilijker. Bovendien maakt de wetgever daar , wat we in de sociologie een ecologische fout noemen: het is niet omdat er voldoende diversiteit is in een bepaalde sector dat individuele bedrijven niet kunnen discrimineren. Je kan een patroon op een hoger niveau niet zomaar doortrekken naar alle individuele organisaties. Ik zal het anders uitleggen: het is niet omdat Gent een linkse stad is, dat alle inwoners van Gent ook links zijn.

Een derde drempel is dat de arbeidsauditeur (lid van het openbaar ministerie in arbeidszaken) zijn toestemming moet geven vooraleer er ge-mysteryshopt kan worden, ook al zouden de statistieken aantonen dat er te weinig diversiteit is. Pas in een vierde stap kan een inspecteur dus effectief tot actie overgaan, en dan nog enkel indien er echt geen andere methode voorhanden is om de discriminatie te testen. Je zal begrijpen dat zo’n regeling in de praktijk op niets zal uitdraaien.

Bovendien hebben we het dan nog niet gehad over de vraag of de inspecteurs de nodige know-how hebben om methodologisch correct te kunnen mystery shoppen. Er moeten nog véél randvoorwaarden ingevuld en uitgewerkt worden vooraleer we kunnen mystery shoppen en –callen, vrees ik.

TvMR: Is de Brusselse ordonnantie van praktijktesten op de arbeidsmarkt dan beter?

PIETER-PAUL: Ik meen van wel, want er zijn minder drempels. De ordonnantie voorziet geen sectorale doorlichting, er is geen goedkeuring van de arbeidsauditeur nodig, enz. Nu, we moeten kritisch blijven. Een ordonnantie op papier, waarin de inspectie de bevoegdheid krijgt om praktijktesten uit te voeren is mooi. Het is nu aan de overheid om daar ook effectief budget voor vrij te maken. Dit is een bijkomende taak in het takenpakket van de inspectie. Als er geen expliciete uitvoering aan gegeven wordt, blijft het ook hier waarschijnlijk bij een theoretische bevoegdheid.

TvMR: Welke zijn volgens jullie de grootste uitdagingen in de antidiscriminatiestrijd?

DOUNIA: We moeten echt inzetten op het bestrijden van discriminatie van jongsaf aan. Dat kan enkel indien we aan kinderen kunnen meegeven dat diversiteit goed is.

In de sociologie spreken we over vier socialisatievelden. De eerste is het gezin. Een kind dat opgroeit in een gezin waar een minder positief idee rond diversiteit heerst, neemt die ideeën gemakkelijk over. Binnen het gezin wordt een kind niet gepusht om kritisch na te denken, dus die dynamiek is moeilijk te veranderen.

Een tweede socialisatieveld is het onderwijs: daar is gemakkelijk verandering mogelijk. Door op school op een positieve wijze in contact te komen met diversiteit, ontwikkelt een kind een open, kritische denkwijze en kunnen we vooroordelen en stereotypes verminderen. Dat kan door leerkrachten voor de klas te zetten met een diverse achtergrond, maar ook door binnen de klas zelf erop te letten kinderen uit verschillende sociale groepen te doen samenwerken, bijvoorbeeld door ze samen een taak te laten maken. De kinderen zijn dan bezig met een gemeenschappelijk doel, ondanks hun verschillende achtergronden. We moeten onderwijs eigenlijk zien als een mini-samenleving. Als kinderen enkel in contact komen met mensen die op hen lijken, weten ze ook niet hoe ze in de grote samenleving moeten omgaan met andere mensen.

TvMR: Als we deze ideeën nu moeten vertalen naar heel concrete beleidsmaatregelen, welke mogelijkheden zie jij dan om deze veranderingen in het onderwijs in de praktijk te brengen? Hebben we bijvoorbeeld diversiteitsquota nodig in ons lerarenkorps?

DOUNIA: Kijk, veel leerkrachten zijn tegenwoordig vrouwen. Heel vaak zijn het ook witte vrouwen. De idee leeft bijgevolg dat vrouwen met een andere achtergrond geen leerkracht zouden willen worden, maar dat klopt niet. Een van drempels die daar bijvoorbeeld heerst is dat vrouwen met een moslimachtergrond vaak de hoofddoek dragen. Tijdens hun lerarenopleiding kiezen ze er dan ook vaak voor om zich voor te bereiden op een carrière in het islamitisch onderwijs, omdat ze daar terecht kunnen met hun hoofddoek. In andere scholen moeten deze vrouwen vaak hun hoofddoek afzetten, wat ze niet altijd willen. Maar die vrouwen willen minstens even graag gewoon Nederlands of geschiedenis onderwijzen. Dat is dus alvast een van de drempels die weggewerkt zou kunnen worden om het lerarenkorps te diversifiëren.

TvMR: Wat kunnen we doen in de laatste twee socialisatievelden?

DOUNIA: Het derde socialisatieveld is de media. Meer diversiteit in de media brengen is eigenlijk ook gemakkelijk, denk aan televisieprogramma’s.

Ten vierde is er het verenigingsleven. In grote delen van Vlaanderen zijn jeugdbewegingen en hobbyclubs nog sterk gesegregeerd op basis van etniciteit, geslacht en klasse. De meisjes doen ballet, de jongens doen voetbal. Veel jeugdbewegingen zijn witte bastions. We moeten in het verenigingsleven alle vormen van segregatie proberen tegengaan, want het is op zich een prima socialisatieveld om kinderen in contact te brengen met diverse achtergronden. Ze raken erdoor gewoon aan diversiteit en houden op met het te zien als iets speciaals.

PIETER-PAUL: Wat dat verenigingsleven betreft: er bestaat een sociologisch principe genaamd sociale homofilie. Dat houdt in dat je het liefst omgaat met anderen die zoals jezelf zijn, zowel op vlak van gender, etniciteit, leeftijd, klasse, opleidingsniveau, enz. Daarom ben ik minder optimistisch over dit vierde socialisatieveld. De diversiteit zal daar niet gemakkelijk vanzelf ingang vinden.

Op straatniveau wel natuurlijk – daar spelen kinderen gewoon samen voetbal. Op de speelplaats denk ik ook dat het spontaan mogelijk is tot op zekere hoogte. Maar bij hobbyclubs en jeugdverenigingen, waarbij je je moet verplaatsen om er naartoe te gaan en waarvan het lidmaatschap dus een vrijwillige, bewust keuze is, zal diversiteit minder vanzelf komen en hebben we beleid nodig om diversiteit te stimuleren.

Op lokaal niveau begint dat stilaan te lukken: sportclubs en jeugdverenigingen worden –weliswaar te traag—diverser. Sommige verenigingen bewerkstelligen dat door het (al dan niet beredeneerd) toelaten van religieuze symbolen, of door doelgericht gezinnen aan te schrijven of te bezoeken. Vaak heeft dat een zelfversterkend effect: via netwerken verspreidt zich die diversiteit snel eens een paar pioniers de eerste stap zetten. De inspanning zit vooral in het mensen zover krijgen om die eerste stap te zetten.

Pas op, die vooruitgang is even gemakkelijk weer teniet gedaan dan dat hij opgebouwd is: de politiek en het discours in de media hebben hier een enorme invloed. Uitspraken van politici die bepaalde gemeenschappen culpabiliseren en zelfs dehumaniseren, breken het werk op lokaal niveau razendsnel terug af. Je zou denken dat ons beleid diversiteit zou stimuleren in plaats van segregeren. Helaas is dat niet altijd evident.

TvMR: We onthouden dat een goede antidiscriminatiebeleid op twee fronten moet inzetten. Enerzijds, het bestrijden van discriminatie, waarbij praktijktesten en mystery calls een belangrijke rol kunnen spelen en anderzijds moet er ook sterk ingezet worden op het goed leren omgaan met diversiteit. We onthouden ook dat we nog een lange weg te gaan hebben.

 

* Saïla Ouald Chaib is postdoctoraal medewerkster aan het Mensenrechtencentrum van de UGent en coördinator van de Human Rights Law Clinic aan hetzelfde Centrum. Dominique De Meyst is juridisch medewerkster bij Unia en praktijkassistente staats- en grondwettelijk recht aan de Universiteit Hasselt.

** Dit stuk verscheen als interview in het Tijdschrift voor Mensenrechten in maart 2018 (nr.1, pp. 4-10). Vond je het interessant en wil je nog meer lezen? Abonneer je dan op het Tijdschrift voor Mensenrechten. Het Tijdschrift voor Mensenrechten is een uitgave van de Liga voor Mensenrechten en komt vier keer per jaar uit. De redactie is autonoom

 

Ben je enthousiast over mensenrechten, en wil je ze helpen beschermen? Steun de Liga dan financieel. We zoeken donateurs die ons structureel willen steunen. Elke maand een klein bedrag schenken, maakt een wereld van verschil. Natuurlijk zijn eenmalige giften, hoe klein ook, eveneens welkom. Online doneren aan de Liga doe je op minder dan één minuut. Zo kunnen wij het Tijdschrift voor Mensenrechten blijven uitgeven, en al ons andere werk blijven doen. Bedankt om te investeren in mensenrechten!

Reageer

Reacties worden gemodereerd. Onaanvaardbare inhoud wordt niet gepubliceerd.

Nieuwsbrief

Ontvang onze nieuwsbrief