Antiterreurmaatregelen en mensenrechtelijke bezwaren

13 februari 2015

       

Op 16 januari, de dag na de actie in Verviers, keurt de regering in allerijl twaalf maatregelen goed om te laten zien dat ze pal staat voor veiligheid. Het is een vastgeroest patroon sinds 9/11: de overheid moet maar luid ‘terrorisme’ en ‘veiligheid’ roepen en ze krijgt bijna elke maatregel erdoor. Dat de overheid moet optreden tegen terroristisch geweld staat buiten kijf. Blind geweld tegen onschuldige burgers schendt het recht op leven, een elementair mensenrecht. Bovendien zijn terroristen erop uit de democratische samenleving te ontwrichten. Maar terreurbestrijding mag op geen enkele manier leiden tot een nodeloze uitholling van onze grondrechten.

Proportioneel, noodzakelijk en democratisch? 

Hoeveel macht krijgt de overheid met de nieuwe maatregelen? Zijn ze noodzakelijk en druisen ze wel dan niet in tegen onze vrijheden? Is er nog degelijke controle mogelijk? Bezweren de maatregelen het terroristisch gevaar? Deze cruciale vragen kan je niet fatsoenlijk beantwoorden zolang je niet alle maatregelen bij elkaar optelt, die België en de EU sinds 9/11 namen. Europa nam in totaal ruim 250 maatregelen, die op geen enkel ogenblik ernstig werden geëvalueerd. En ziehier het hoogst onvolledig Belgisch lijstje: de terrorismewet, het Europees aanhoudingsbevel, de uitbouw en koppeling van databanken (Europol, Schengen), meer cameratoezicht, de BOM- en BIM-wet (bijzondere  methodes voor politie en veiligheidsdiensten inzake afluisteren, infiltreren, observeren, inkijken van woningen, bankgegevens verzamelen…), het biometrisch paspoort, de oprichting van Eurojust en OCAD (het coördinatieorgaan voor dreigingsanalyse). Nooit voorheen beschikten politie- , inlichtingendiensten en OM over zo’n waaier ingrijpende onderzoeksmethoden, die al kunnen worden gebruikt zodra er een ‘redelijk vermoeden’ bestaat dat een misdrijf plaats kan vinden (proactief onderzoek). Daarbij wordt het net soms wijd, ja te wijd uitgeworpen om een handvol potentiële terroristen te vangen. Dat op die manier onschuldige burgers in het net verstrikt raken, wordt maar al te gemakkelijk voor lief genomen.

Door het cumulatieve effect vond er langzaam maar zeker een ongeziene verschuiving plaats van het bewaken van burgerrechten tegen een al te opdringerige overheid naar het bewaken van brede lagen van de bevolking. Wat begon als terreurmaatregel eindigde steeds meer als een maatregel tegen onschuldige, gewone burgers. Om enkele honderden of duizenden (potentiële) terroristen te  vangen werd de bewaarplicht geaccepteerd, waardoor politie en justitie kunnen beschikken over de zogeheten verkeersgegevens van telecommunicatie van alle Europese burgers: wanneer en met wie iemand mailt, sms’t, belt of chat. Heeft deze vergaande aantasting van de burgerrechten het terroristisch probleem opgelost? Kan de overheid nog in alle ernst volhouden dat ze ‘ongewapend’ staat en dat de twaalf nieuwe maatregelen noodzakelijk en proportioneel zijn? Kortom, vooraleer halsoverkop gelegenheidswetten en een indrukwekkend antiterreurpakket aan te nemen, is er nood aan een grondige evaluatie van de bestaande wetten, methodes en bevoegdheden. Wat werkt er? Wat kan er beter?

Repressie boven alles

In het antiterreurpakket ligt de nadruk op repressie. De regering wil nogmaals de antiterreurwet aanscherpen, die net als de BOM-wet, dateert uit 2003. Die beide wetten, directe producten van 9/11, werden zonder noemenswaardig parlementair debat goedgekeurd, hoewel ze een forse impact hebben op het privéleven. De antiterreurwet viseert aanvankelijk vooral degenen die een terroristische aanslag plannen, ondersteunen, financieren of uitvoeren. Politie en justitie kunnen deze terreurverdachten afluisteren en met allerhande bijzondere opsporingsmethoden ‘proactief’ bestrijden. In 2013 wordt de wet verruimd. Het geven van een opleiding met de bedoeling een aanslag te plegen wordt strafbaar, net zoals oproepen tot terrorisme en rekrutering. Nu wil de regering nog een eind verder gaan. Je kan worden vervolgd als je ‘voor terroristische doeleinden’ naar het buitenland reist.  In één beweging wil de regering de ‘taplijst’ uitbreiden tot al deze nieuwe terroristische tenlasteleggingen. Sowieso een zorgwekkende ontwikkeling want het strafrechtideaal dat alleen daden tellen, ligt steeds verder achter ons. Sinds de antiterreurwet kijkt de politie in heel Europa vooral naar concrete voorbereidingshandelingen. Met de beoogde wettelijke verruiming kunnen we ons voorstellen dat een bont legioen van sympathisanten, figuranten of meelopers op de hielen wordt gezeten. Is dat productief?

Daarnaast denkt de regering er aan om de politie in staat te stellen berichten en gesprekken via Facebook, WhatsApp en Skype af te tappen, met als risico dat de privacy van de burgers alweer een stukje wordt opgeofferd. Het feit dat meer burgers op deze manier op de radar van de politie verschijnen, zou op zijn minst ook een intensiever toezicht moeten impliceren, maar daarover wordt zedig gezwegen.

Een ander punt is het ontnemen van de dubbele nationaliteit. In juridisch opzicht discriminerend en problematisch want het EVRM (artikel 3 van het vierde aanvullend Protocol) verbiedt de uitzetting van eigen onderdanen. Vreemdelingen kunnen wel worden verwijderd, maar dergelijke beslissingen dienen getoetst te worden aan artikel 3 (het folterverbod) en artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het privé- of gezinsleven). Bovendien moeten ook enkele procedurele waarborgen in acht worden genomen (artikel 6 en 13 EVRM en artikel 1 van het zevende aanvullend Protocol).

Door de nationaliteit van IS-strijders af te nemen schuift België bovendien de verantwoordelijkheid voor hun eventuele berechting af op landen die niet altijd in staat zijn om die opdracht tot een goed einde te brengen. Die wil om van sommige medeburgers de nationaliteit af te nemen steekt schril af tegen het voornemen van de regering om de Belgische nationaliteit versneld toe te kennen op grond van niet nader gepreciseerde economische verdiensten.

De regering wil ook graag de identiteitskaart en het paspoort in kunnen trekken van iedereen die een risico vormt voor de openbare orde of veiligheid. Vaagheid troef. Zullen de rechten van verdediging ten volle worden geëerbiedigd? Zal een onafhankelijke rechter zich vooraf uit kunnen spreken over de legitimiteit van de intrekking? Zal beroep mogelijk zijn? En eerlijk gezegd, welke jihadist zal zich door deze maatregel laten afschrikken? 

Voorkomen beter dan genezen

De  Amerikaanse veiligheidsexpert B. Schneier heeft de term ‘veiligheidstheater’ bedacht voor maatregelen die met veel tamtam worden genomen om de burger een ‘gevoel van veiligheid’ te geven. Het spektakelstuk bij uitstek is de huidige inzet van zwaarbewapende para’s, alsof militarisering van de openbare ruimte extremistische terreur zou kunnen voorkomen. Het handhaven van de openbare orde is geen opdracht voor het leger. Daar komt bij dat de wet van 1989 tot organisatie van de geïntegreerde politiedienst bepaalt dat het leger slechts uitzonderlijk kan worden ingezet voor de handhaving van de openbare orde als de middelen van de politiediensten onvoldoende zijn, wat hier helemaal niet werd aangetoond. De huidige inzet van het leger heeft bijgevolg geen wettelijke basis.

Het luik preventie in het twaalfpuntenplan is verre van overtuigend: optimalisering van de informatie-uitwisseling, herziening van het plan tegen radicalisering van 2005, aanpak van radicalisering binnen de gevangenismuren en versterking van de analysecapaciteit van de Veiligheid van de Staat. Daarmee moeten we het doen.

Het is verstandig erop te wijzen dat radicalisme en terrorisme niet op één lijn mag worden geplaatst. De regering wil naar Frans en Nederlands model radicale gedetineerden op zogenoemde ‘terroristenafdelingen’ plaatsen. Het is maar zeer de vraag of dat een goed idee is. Degelijk wetenschappelijk onderzoek ontbreekt in elk geval. We weten wel dat de Nederlandse afdelingen een zeer streng regime kennen: 22 uur per dag op cel, geen arbeid en opname van alle gesprekken. Is dat de manier om meer respect voor onze democratie te kweken? Of kan het juist averechts werken? Godsdienstige counseling, sociale en democratische vaardigheidstrainingen, het halen van een schooldiploma of het leren van een vak in de gevangenis lijken op het eerste gezicht een stuk effectiever. Helaas lijkt dat, zacht uitgedrukt, absoluut geen prioriteit. Gelukkig wil de regering wel het aantal islamconsulenten in de gevangenissen verhogen. In Vlaanderen zijn er amper 18 actief. Prima, op voorwaarde dat de onafhankelijkheid van de consulenten wordt gevrijwaard.

Natuurlijk zijn wij gewonnen voor een betere informatie-uitwisseling, maar daarvoor zijn geen nieuwe wettelijke of repressieve middelen nodig. Er bestaan al bergen inlichtingen, alleen worden ze niet goed geanalyseerd en gedeeld. Er is dan ook niets op tegen dat de Veiligheid van de Staat niet langer buitenlandse VIP’s gaat beschermen maar meer medewerkers voor analysewerk in gaat zetten. Kan de controle, die verwaarloosbaar klein is, in godsnaam worden verhoogd want de toezichthoudende instantie telt amper een handvol leden, die met de beste wil van de wereld het steeds complexer wordende inlichtingenwerk niet afdoende kunnen controleren.

De regering wil het plan R van 2005 tegen radicalisering versneld herzien. Zullen de beleidsmakers het lef hebben na te denken over de oorzaken van terreur en radicalisering in plaats van met simpele en simplistische antwoorden te komen en (zelf-)onderzoek te vermijden? Vast staat dat de overheid tot nu toe geen wezenlijke poging heeft gedaan om een treffelijke verklaring voor radicalisering te geven. Erger, sommige politici vinden het onbetamelijk dat er een debat wordt gevoerd over ‘de voedingsbodem voor terreur’ en  huiveren om radicalisering te zien als een onderdeel van onze samenleving en om gedegen wetenschappelijk onderzoek ter harte te nemen. Na de zelfmoordaanslagen in Londen wezen onderzoekers op de combinatie van werkloosheid, discriminatie, moeizame integratie, oude tradities en de woede over oorlogen in islamitische landen (Irak, Afghanistan, Syrië, Palestina). Het verdient aanbeveling met dergelijke onderzoeken rekening te houden. Moraal van het verhaal: een effectief beleid tegen radicalisering en terrorisme moet hoe dan ook worden beoordeeld op de maatschappelijke consequenties. We moeten waken dat het antiterrorisme niet tot gevolg heeft dat racisme en discriminatie van moslims de pan uit rijzen of dat het beeld ontstaat dat de hele moslimbevolking op de verdachtenlijst staat. Dat zou pas in de kaart spelen van de jihadisten die nu eenmaal uit zijn op een breuk tussen moslims en niet-moslims en op een ontwrichting van onze democratische rechtsstaat.

Deze bijdrage verscheen in De Juristenkrant van 11 februrai 2015.

Reageer

Reacties worden gemodereerd. Onaanvaardbare inhoud wordt niet gepubliceerd.

Nieuwsbrief

Lees hier onze laatste nieuwsbrief en blijf op de hoogte van alle interessante mensenrechtenweetjes.
Schrijf je in en ontvang de nieuwsbrief viermaal per jaar gratis in je mailbox.