Het Belgische stakingsrecht onder vuur

24 oktober 2022

Artikel door Hannah Ghulam Farag [*] voor het oktober 2022 nummer van het Tijdschrift voor Mensenrechten. [**]

Aujourd’hui, le seul moyen de faire passer un message, c’est de bloquer [la voie publique].”[1] Deze woorden behoren toe aan één van de ‘dix-sept du Pont de Cheratte’. Zij zijn een groep vakbondsleden die recent op grond van artikel 406, eerste lid Sw. werden veroordeeld voor kwaadwillige belemmering van het wegverkeer wegens hun deelname aan een stakingspost op de E40. Nadat ABVV-secretaris Verlaeckt in 2020 op dezelfde rechtsgrond werd veroordeeld, valt de uitspraak tegen de dix-sept du Pont de Cheratte niet uit de lucht. Er is nood aan kritische analyse en aandacht voor deze evolutie. Beide rechtszaken creëren namelijk een chilling effect voor deelnemers aan directe acties en blokkades en vernauwen zo de ruimte voor protest in België. Dit artikel start met een inleiding over artikel 406 Sw., waarna achtereenvolgens de processen van Verlaeckt en die van de zeventien van Luik worden besproken. Daarna volgt een bespreking van relevante Europese en internationale rechtspraak en ten slotte een besluit.

Kwaadwillige belemmering van het wegverkeer

De precedentwaarde van de zaak Verlaeckt (besproken verderop) bevindt zich deels in de nieuwe, controversiële toepassing van artikel 406, eerste lid Sw. Deze bepaling bestraft met de opsluiting van vijf tot tien jaar personen die kwaadwillig het verkeer belemmeren via een aanslag of via het mogelijks veroorzaken van een gevaarlijke verkeerssituatie. In 1963, wanneer de bepaling van toepassing werd verklaard op autowegen, verklaarde de regering echter “op de meest uitdrukkelijke wijze noch aan het stakingsrecht noch aan de vrije uitoefening van dit recht te willen raken.”[2] Ook sit-ins op de openbare weg, niet-toegestane stakingsposten en betogingen werden uitgesloten.[3]

In 2003 trachten Sp.a-spirit en PS zonder succes om collectieve arbeidsconflicten expliciet uit te sluiten van het toepassingsgebied van artikel 406 Sw.[4] Sinds 2019 is een gelijkaardig PVDA/PTB-wetsvoorstel hangende.[5] Tot slot diende ook N-VA in 2021 een wetsvoorstel in waarin wordt gesteld : “De uitoefening van het recht op collectief optreden kan nooit een strafrechtelijke inbreuk verrechtvaardigen.”[6] Als “klassieke voorbeelden” worden syndicale weg- en spoorblokkades aangehaald, die volgens de partij niet-rechtvaardigbare schendingen van artikel 406 Sw. inhouden.[7]

Verlaeckt: het baanbrekende precedent

Tijdens de nationale, interprofessionele staking van 24 juni 2016 stonden Verlaeckt, provinciaal ABVV-secretaris, en T.V., ABVV-afgevaardigde, samen met tientallen anderen piket in de haven van Antwerpen. Zij hadden vanaf vier uur ’s ochtends toegangswegen tot verschillende chemiebedrijven afgesloten: een tot dan toe steeds getolereerde, decennia-oude praktijk die gepaard ging met veiligheidsvoorzorgen. Rond zes uur ’s ochtends zette de politie onverwachts het waterkanon in en ontruimde het piket met wapenstok in de hand. Verlaeckt en T.V. werden gearresteerd. De daaropvolgende veroordeling van Verlaeckt op grond van artikel 406, eerste lid Sw. in 2018[8] en 2019[9] en het afgewezen cassatieberoep in 2020[10] vormen belangrijke precedenten voor de criminalisering van sociaal protest. Een overschrijding van de redelijke termijn beperkte de strafmaat wel tot een eenvoudige schuldigverklaring.

In de zaak Verlaeckt verduidelijkten de rechters eerst de reikwijdte van artikel 406, eerste lid Sw. Ten eerste dient er een belemmering van het wegverkeer en een potentiële gevaarsituatie te zijn zonder dat een ongeval effectief moet plaatsvinden. Ten tweede stelde het Hof van Cassatie, in het bijzonder, dat de vereiste kwaadwilligheid bestaat in “het opzettelijk belemmeren van het verkeer als dusdanig”,[11] ook zonder dat de actievoerders een gevaarsituatie tot stand willen brengen. Bovendien waren de syndicale context en de beweegredenen voor de actie hierbij irrelevant.[12] Opvallend is verder dat Verlaeckt werd veroordeeld voor zijn rol als ‘organisator’ van de actie. Het gebrek aan bewijs dat hij de blokkade persoonlijk had opgeworpen deed niet terzake. Voor T.V. betekende het ontbreken van een leidersrol dan weer de vrijspraak. 

Vervolgens erkenden de rechters een inmenging in de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting van artikelen 10-11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in beroep aangevuld met het stakingsrecht van artikel 6.4 van het Herziene Europees Sociaal Handvest (HESH). Na onderstreping van het niet-absolute karakter van deze rechten, volgde een slordige rechtvaardigingstoets. De correctionele rechtbank hechtte er bijvoorbeeld belang aan dat er “geen toestemming werd gevraagd voor de staking”.[13] Mocht een staking echter afhangen van de toestemming van de werkgever, dan zou het recht op collectieve actie niets meer dan een lege doos zijn. Het hof stelde bovendien dat artikel 406 Sw. niet het stakingsrecht op het oog had, maar enkel de criminele ingesteldheid voor de wegbelemmering. Verder vroeg het hof zich voornamelijk af of deze fundamentele rechten “ook niet hadden kunnen zijn uitgeoefend zonder enige miskenning van de strafwet”.[14] Bijgevolg waren het stakingsrecht en de vrijheid van vereniging niet geschonden.

Hoe Verlaeckt zijn fundamentele rechten op niet-strafbare wijze had kunnen uitoefenen bleef echter onduidelijk. De redenering van de rechters op dit punt valt minstens merkwaardig te noemen. Het is namelijk in beginsel aan de overheid om de minst verstorende maatregel te nemen bij het beperken van grondrechten, niet aan degene die rechten uitoefent om dat op de minst disruptieve manier te doen. Bovendien gaat de rechterlijke opportuniteitsredenering over de vorm van de staking in tegen de syndicale vrijheid van organisatie. Het Hof van Cassatie volgde de appelrechters echter in hun bevindingen over de artikelen 10-11 EVRM[15] en verklaarde het onderdeel over artikel 6.4 HESH onontvankelijk.[16]

De zaak Verlaeckt betreft de eerste syndicale veroordeling op grond van artikel 406, eerste lid Sw. en roept zodoende een aanzienlijk afschrikwekkend effect voor het Belgische middenveld in het leven. Het feit dat de strafrechter de beweegredenen voor een wegversperring als irrelevant wegzet, brengt namelijk ook niet-syndicale blokkades of directe acties in gevaar. Ook staat de deur naar burgerlijke aansprakelijkheidsvorderingen nu wijder open.

De verdediging beschuldigde het gerecht in elk geval van een politiek proces, van erosie van de grondrechten en zelfs van ondermijning van de democratie.[17] Vander Velpen bestempelde de uitspraak als een “soort van Salomonsoordeel”.[18] Verlaeckt deelde zelf dan weer het volgende mee: “Het is heel erg dat het democratisch recht op actie voeren met dit proces beknot wordt. Als we vandaag kunnen gaan stemmen, dan is dat omdat het afgedwongen werd door mensen die buiten de lijntjes hebben gekleurd, die straten hebben geblokkeerd. Er zijn doden voor gevallen.[19]

‘Les dix-sept du Pont de Cheratte’: verruiming van de criminalisering

Het duurde niet lang voordat het precedent Verlaeckt verdere toepassing kende. Tijdens de nationale actiedag op 19 oktober 2015 stelde een groep van honderd à tweehonderd FGTB-leden zich van vijf tot elf uur ’s ochtends post op de E40 nabij Herstal. Via de blokkade zetten naast militanten ook vakbondsverantwoordelijken, waaronder FGTB-voorzitter Bodson, hun staking kracht bij. Ook deze actie leidde tot een strafprocedure. Aan de hand van getuigenissen, video- en fotobeelden werden zeventien aanwezigen geïdentificeerd. Zij werden in 2020[20] en in 2021[21] veroordeeld op grond van artikel 406 Sw.[22] In maart 2022 verloren ze bovendien een cassatieberoep.[23] De veroordeling van ‘les dix-sept du Pont de Cheratte’ illustreert niet enkel de precedentwaarde van de zaak Verlaeckt, maar geeft ook aan dat de criminalisering van sociaal protest verder uitbreidt naar loutere deelnemers. De nieuwe zaak introduceert ook hogere straffen.

Het hof van beroep van Luik steunde op cassatierechtspraak over strafbare deelname bij omissie en kwalificeerde de feiten als strafbare deelname op grond van de artikelen 66-67 Sw. Net zoals in de zaak Verlaeckt stond enkel de aanwezigheid van de vakbondsleden bij de barricade vast, niet hun rol in het opwerpen ervan. Het hof oordeelde echter dat ieders individuele, vrijwillige en bewuste aanwezigheid op de blokkade en hun omissie om die te ontmantelen als aanmoediging functioneerden. Ze waren essentieel opdat de wegversperring kon standhouden en wezen op een intentie tot meewerken, ook voor niet-leiders. Dat is een opvallend verschil met de vrijspraak van T.V. in 2018.

Later bevestigde het Hof van Cassatie ook dat artikel 406 Sw. een voortdurend misdrijf inhoudt, tot wanneer de blokkade is opgeheven.[24] Niet enkel zij die het verkeer stilleggen zijn dus strafbaar, maar ook “ceux qui contribuent à en maintenir tant l’existence que les effets.”[25] Zoals bij Verlaeckt vervulde de loutere deelname aan de blokkade het morele element. De actiemotieven van de vakbondsleden waren irrelevant, net zoals hun eventuele kennis over de gevaarsituatie.[26]

Verder verliep ook de mensenrechtentoets op een gelijkaardige wijze: de syndicale vrijheden uit de artikelen 10-11 EVRM waren niet geschonden en konden volgens de strafrechter en het Hof van Cassatie worden uitgeoefend zonder schending van de strafwet. Het Hof van Cassatie oordeelde in deze dat artikel 406 Sw. tot doel heeft om “la liberté d’aller et venir, et de circuler” te beschermen alsook "prévenir les répercussions que la paralysie du trafic normal des voyageurs et des marchandises peut entraîner pour la vie économique et sociale du pays."[27] Na een korte uiteenzetting schaarde het Hof zich achter de redenering van de bodemrechters dat de toepassing van de strafwet proportioneel was. Bijzonder opvallend was dat het Hof van Cassatie voor het eerst ook oordeelde dat artikel 6.4 HESH geen directe werking kent.

Last, but not least: waar Verlaeckt ‘maar’ tot een eenvoudige schuldigverklaring werd veroordeeld, kregen de ‘dix-sept du Pont de Cheratte’ substantieel zwaardere straffen. Nochtans was ook hier de redelijke termijn overschreden. De correctionele rechtbank veroordeelde de vakbondspersonen en de vakbondsverantwoordelijken specifiek respectievelijk tot vijftien dagen en een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en tot een boete van €300 en €600. Het hof van beroep behield de gevangenisstraffen, maar trok de geldboetes op tot €2100, €1500 en €1200, afhankelijk van de vakbondsfunctie uitgeoefend door de veroordeelden.

In zijn 1 mei-toespraak in 2022 klaagde Bodson, naar aanleiding van deze zaak, de structurele inperking van de syndicale vrijheden aan: "L’aggravation progressive de la répression est édifiante. […] À ces condamnations, s’ajoutent les astreintes et les intimidations dont no »s sommes de plus en plus souvent la cible, nous, syndicalistes."[28] Op 15 juli 2022 dienden de vakbondsleden een verzoekschrift in bij het EHRM.

Straatsburg: de laatste hoop?

Straatsburg staat evenwel niet bekend voor zijn bescherming van syndicale vrijheden.[29] In 2008 erkende het Hof – eindelijk – het recht op collectieve onderhandelingen als een essentieel element van de vrijheid van vereniging van artikel 11 EVRM. Hoewel het stakingsrecht ook bescherming geniet onder artikel 11E EVRM, erkent het Hof die essentiële positie tot nu toe nog niet. Bovendien weigert het Hof om het stakingsrecht te erkennen als intrinsiek corollarium van het recht op collectieve onderhandelingen.[30] Om die redenen genoot het Verenigd Koninkrijk in R.M.T. bijvoorbeeld van een controversieel grote appreciatiemarge.[31] In Ognevenko gaf het Hof verder aan dat stakingen enkel legitiem zijn ter verdediging van “professional interests”.[32] Doorgaans benadert Straatsburg stakingsposten en andere collectieve acties trouwens binnen de vrijheid van vergadering eerder dan de vrijheid van vereniging.[33] In het verleden bewees het EHRM zich ook niet happig om wegblokkades of andere vormen van directe actie effectief te beschermen,[34] zoals de zaken Barraco[35] en Kudrevičius[36] illustreren.

In Barraco sprak het Hof zich uit over een ‘opération escargot’: transportvakbondsleden voerden actie door aan lage snelheid op een autosnelweg te rijden.  Sommigen veroorzaakten ook blokkades door hun voertuigen te stoppen en werden veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf met uitstel en een boete van €1500 voor het moedwillig verhinderen van het wegverkeer. In Kudrevičius oordeelde de Grote Kamer dan weer over landbouwers die als protestactie gedurende twee dagen drie belangrijke autowegen blokkeerden.  Zij werden veroordeeld tot 60 dagen gevangenisstraf met uitstel en enkele reisbeperkingen. Ondanks de erkenning dat de veroordelingen beperkingen op artikel 11 EVRM inhielden, besloot het Hof telkens dat deze gerechtvaardigd waren om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen en om wanorde te voorkomen.[37] Het EHRM achtte de verstoringen in Barraco en Kudrevičius namelijk “more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place”.[38] In dat kader kende het Hof een ruime appreciatiemarge toe aan Litouwen in Kudrevičius.[39] In Barraco hield het Hof er dan weer rekening mee dat de actievoerders hun vrijheden gedurende meerdere uren hadden kunnen uitoefenen[40] – een vreemd argument gezien de hoge straffen. 

Het EHRM zou er goed aan doen om zijn kar te keren en de gelegenheid van de veroordeling van de zeventien vakbondsleden te bekritiseren, zeker gezien de shrinking civic space in Europa.[41] De strafprocedures kunnen immers gekaderd worden binnen een ernstige intimidatiecampagne tegen de Belgische vakbonden. Zo is België sinds 2019 consequent gedaald in de Global Rights Index van de International Trade Union Confederation (ITUC): van de categorie ‘sporadische schendingen van rechten’,[42] naar ‘herhaalde schendingen van rechten’[43] en vanaf 2021 zelfs naar ‘regelmatige schendingen van rechten’.[44] ITUC haalde daarbij verschillende keren de zaak Verlaeckt[45] en de zaak van de zeventien van Luik aan.[46]

Bovendien krijgt Straatsburg nu ook een kans om directe acties en gerichte blokkades meer bescherming te bieden. In het kader van de radicaliserende milieubeweging kan dat van groot belang zijn. Zo blijken directe acties een populaire tactiek bij organisaties zoals Extinction Rebellion en kennen dergelijke blokkades en sabotage ook bijval in de populaire literatuur.[47] Een mogelijk probleem is echter dat de Luikse blokkade niet gericht was op een specifiek bedrijf of activiteit. Toch acht het EHRM de strenge straffen mogelijks disproportioneel. Bovendien zou het Hof artikel 406 Sw. niet kunnen aanvaarden als voorzienbare wettelijke basis voor de vervolgingen. Gezien de warrige parlementaire geschiedenis van het artikel en het decennialange gebrek aan strafvervolgingen, valt een argument te maken voor de onduidelijkheid van de wet. Na het proces Verlaeckt lijkt dat echter moeilijker. De vakbondsleden wagen duidelijk een grote gok met deze klacht voor het eerder conservatieve EHRM: is dit het risico waard om de criminalisering van Verlaeckt en de zeventien van Luik te consolideren op Europees niveau? Er zijn immers alternatieve pistes mogelijk.

Alternatieve pistes[48]

In december 2021 dienden het ACV/CSC, ABVV/FGTB en ACLVB/CGSLB een vertrouwelijke klacht in tegen België bij het Committee for Freedom of Association (“CFA”) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) die hoogstwaarschijnlijk verband houdt met een van beide zaken. Het CFA staat kritisch tegenover sancties voor en arrestaties van deelnemers aan en leiders van stakingen, zeker wanneer ze intimiderend werken.[49] Bovendien heeft het comité in het verleden reeds geoordeeld dat strafrechtelijke sancties enkel gerechtvaardigd kunnen zijn bij ernstige overtredingen van het strafrecht, zoals geweld tegen personen of eigendommen.[50]

Ook andere mensenrechtenorganisaties bieden steunpunten voor de Belgische vakbondsleden. Zo stelt het Commitee of Experts on the Application of Conventions and Recommendations van de IAO zelfs dat gevangenisstraffen voor stakers uit den boze zijn.[51] Het VN-Comité voor economische, sociale en culturele rechten uitte dan weer kritiek op politieaanvallen op stakers, op overheden die vakbondspersonen intimideerden of arresteerden en op abusieve burgerrechtelijke procedures tegen of strafrechtelijke vervolgingen van stakers.[52]

Verder biedt ook het VN-Mensenrechtencomité robuuste bescherming aan het stakingsrecht. In zijn General Comment nr. 37 kwalificeert het comité een piket namelijk als een vreedzame vergadering onder artikel 21 IVBPR.[53] Het Mensenrechtencomité stelt dat een verstorende betoging, zoals een uitgebreide wegblokkade, enkel mag worden ontbonden indien de verstoring “serious and sustained” is.[54] Daarbij verwijst het Comité naar een betoging die de toegang tot essentiële diensten verhindert of die een ernstige en langdurige verstoring voor het verkeer of de economie veroorzaakt, zoals een dagenlange blokkade van een belangrijke snelweg.[55] Een tijdelijke verstoring van het verkeer moet daarentegen getolereerd worden.[56]

Tot slot stelt het Europees Comité voor Sociale Rechten dat enkel “excessive or abusive forms of collective action, such as extended blockades, which would put at risk the maintenance of public order or unduly limit the rights and freedoms of others” rechtmatig beperkt of verboden kunnen worden.[57]

Waar de vakbondsleden in Straatsburg een aanzienlijk risico op een negatieve uitspraak lopen, bestaan er dus wel andere fora die hen gunstiger gezind zouden kunnen zijn.

Les rues (ne) sont (plus) à nous (?)

Met de uitspraak tegen de zeventien van Luik schakelt de criminalisering van sociale actie een versnelling hoger. De blik verschuift van de leiders naar het actief opsporen van zoveel mogelijk deelnemers aan blokkades en de straffen liggen substantieel hoger. Deze evolutie zette zich in 2022 nog verder door met de veroordeling van een FGTB-afgevaardigde tot zes maanden gevangenisstraf en een substantiële geldboete wegens deelname aan een stakingspiket in 2016.[58] Ook introduceren de besproken zaken een chilling effect dat veel wijder reikt dan de vakbonden: deelnemers aan directe acties op de openbare weg stellen zich nu immers mogelijks bloot aan criminele straffen.

Mensenrechtenverdedigers mogen niet uit het oog verliezen dat het recht verre van objectief is, maar steeds de machtsverhoudingen in de samenleving weerspiegelt.[59] Het is niet omdat economische belangen nu de voorkeur genieten in de Belgische rechtspraak en omdat het EHRM geen grote voorvechter is van syndicale rechten, dat deze standpunten daarom onvermijdelijk correct zijn. Zo streeft een nieuwe coalitie in Gent bijvoorbeeld naar een verdediging van het actierecht.[60] Ook Amnesty International startte een campagne voor het recht op protest.[61] Het gerecht kan zich mobiliseren tegen sociale actie, maar ook mensenrechtenverdedigers kunnen op de barricades staan.


[*] Hannah Ghulam Farag is assistent in de vakgroep Metajuridica aan de Vrije Universiteit Brussel.

[**] Dit stuk verscheen als artikel in het Tijdschrift voor Mensenrechten in oktober 2022 (nr.3, pp. 22-27). Vond je het interessant en wil je nog meer lezen? Abonneer je dan op het Tijdschrift voor Mensenrechten. Het Tijdschrift voor Mensenrechten is een uitgave van de Liga voor Mensenrechten en komt vier keer per jaar uit. De redactie is autonoom.

[1] Corr. Luik (afd. Luik) 23 november 2020, nr. 2020/2429, onuitg (“Corr. Luik 2020”).

[2] Wetsontwerp tot wijziging van het Strafwetboek en van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart, Parl. St. Kamer 1961-1962, nr. 424/2.

[3] Ibid; zie echter Vr. en Antw. Kamer 2015-16, 28 november 2015, 79 (Vr. nr. 120 P. Goffin); Vr. en Antw. Kamer 1996-97, 23 juni 1997, 11953 (Vr. nr. 495 L. Suykens).

[4] Wetsvoorstel (M. De Meyer e.a.) tot wijziging van artikel 406 van het Strafwetboek ter vrijwaring van het stakingsrecht, Parl.St. Kamer 2003, nr. 51-0118/001, 5.

[5] Wetsvoorstel (N. Boukli e.a.) tot wijziging van artikel 406 van het Strafwetboek met het oog op het vrijwaren van het stakingsrecht, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0650/001.

[6] Wetsvoorstel (V. Van Peel e.a.) betreffende het recht op collectief optreden, Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1746/001.

[7] Ibid.

[8] Corr. Antwerpen (afd. Antwerpen) 29 juni 2018, nr. 2018/3286 (“Corr. Antwerpen 2018”).

[9] Antwerpen, 26 juni 2019, nr. C/696/2019 (“Antwerpen 2019”).

[10] Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0804.N (“Cass. 2020”).

[11] Cass. 2020, §3.

[12] Ibid., §7.

[13] Corr. Antwerpen 2018.

[14] Antwerpen 2019.

[15] Cass. 2020, 7-9, §13.

[16] Ibid., 9, §14.

[17] K. Brys, “ABVV-voorzitter Bruno Verlaeckt veroordeeld: “Dit is een politiek proces””, dewereldmorgen.be 29 juni 2018, https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2018/06/29/abvv-voorzitter-bruno-verlaeckt-veroordeeld-“dit-is-een-politiek-proces”/ (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).  

[18] J. Vander Velpen, “De strafzaak Bruno Verlaeckt: een gevaarlijk precedent”, Sampol 2019, afl. 3, 67-71, https://www.sampol.be/2019/03/de-strafzaak-bruno-verlaeckt-een-gevaarlijk-precedent (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).

[19] K. Dereymaeker, “Proces Bruno Verlaeckt: “Vroeg of laat moeten we tegen de schenen stampen””, Solidair 7 januari 2020, https://www.solidair.org/artikels/proces-bruno-verlaeckt-vroeg-laat-moeten-we-tegen-de-schenen-stampen-0 (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).

[20] Corr. Luik 2020.

[21] Luik 19 oktober 2021, nr. 2021/3124, onuitg.

[22] In eerste aanleg werden ze veroordeeld op grond van artikel 406, derde lid Sw., in tweede aanleg herkwalificeerde het hof van beroep naar artikel 406, eerste lid Sw.

[23] Cass. 23 maart 2022, AR P.21.1500.F/1 (“Cass. 2022”).

[24] Ibid., 3.

[25] Ibid., 4.

[26] Corr. Luik 2020.

[27] Cass. 2022, 4.

[28] FGTB, "Fête du 1er mai // Syndicalistes. Pas criminelles”, 1 mei 2022, https://fgtb.be/syndicalistes-pas-criminels (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).

[29] Zie bijvoorbeeld EHRM 8 april 2014, nr. 31045/10, National Union of Rail, Maritime and Transport Workers/Verenigd Koningkrijk ("RMT"); EHRM 28 oktober 2010, nr. 4241/03, Trofimchuk/Oekraïne; recentelijk: EHRM 10 juni 2021, nr. 45487/17 Norwegian Confederation of Trade Unions (LO) and Norwegian Transport Workers’ Union (NTF)/Noorwegen.

[30] Ibid. Het Hof kwam hier enigszins terug op EHRM 21 april 2009, nr. 68959/01, Enerji Yapi Yol Sen/Turkije, §24.

[31] RMT, §86.

[32] EHRM 20 november 2018, nr. 44873/09, Ognevenko/Rusland, §83.

[33] Zie F. Dorssemont, "The Right to Take Collective Action under Article 11 ECHR" in F. Dorssemont, K. Löcher en I. Schömann (eds.), The European Convention on Human Rights and the Employment Relation, Londen, Hart Publishing, 2013, (333) 341.

[34] Zie EHRM 23 september 1998, nr. 24838/94, Steel e.a./Verenigd Koninkrijk; EHRM 4 mei 2000, nr. 33678/96, Drieman e.a./Noorwegen; EHRM 18 maart 2003, nr. 39013/02, Lucas/Verenigd Koninkrijk; EHRM 5 maart 2009, nr. 31684/05, Barraco/Frankrijk (“Barraco”); EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05, Kudrevičius e.a./Lithouwen (“Kudrevičius”); EHRM 15 december 2015, nr. 41479/10, Budaházy/Hongarije.

[35] EHRM 5 maart 2009, nr. 31684/05, Barraco/Frankrijk.

[36] EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05, Kudrevičius e.a./Lithouwen.

[37] Ibid., §140; Barraco, §40; EHRM 15 december 2015, nr. 41479/10, Budaházy/Hongarije, §30.

[38] Kudrevičius, §171-173; zie ook Barraco, §46.

[39] Kudrevičius, §156.

[40] Barraco, §47.

[41] A. Buyse, “Squeezing civic space: restrictions on civil society organizations and the linkages with human rights”, IJHR 2018, afl. 8, 966-988.

[42] ITUC, 2018 ITUC Global Rights Index, 2018, 11, https://www.ituc-csi.org/IMG/pdf/ituc-global-rights-index-2018-en-final-2.pdf.

[43] ITUC, 2019 ITUC Global Rights Index, 2019, 11, https://www.ituc-csi.org/IMG/pdf/2019-06-ituc-global-rights-index-2019-report-en-2.pdf (“ITUC 2019”).

[44]ITUC, 2022 ITUC Global Rights Index, 2022, 15, https://files.mutualcdn.com/ituc/files/2022-ITUC-Rights-Index-Exec-Summ-EN_2022-07-06-063804.pdf; ITUC, 2021 ITUC Global Rights Index, 2021, 12,  https://files.mutualcdn.com/ituc/files/ITUC_GlobalRightsIndex_2021_EN_Final.pdf.

[45] ITUC 2019, 20, 29 en 47.

[46] ITUC, 2020 ITUC Global Rights Index, 2020, 23 en 34, file:///C:/Users/hanna/Downloads/ituc_globalrightsindex_2020_en.pdf.

[47] Zie bv. A. Malm, How to Blow Up a Pipeline, Londen, Verso Books, 2021.

[48] In deze context wordt het HVJEU-arrest Schmidberger ook vaak vermeld (HvJ 12 juni 2003, nr. C-112/00, Eugen Schmidberger, Internationale Transporte und Planzüge/Oostenrijk.) In deze zaak oordeelde het HVJEU dat Oostenrijk het vrij verkeer van goederen niet had geschonden door een wegblokkade door klimaatactivisten niet te verbieden. Volgens mij biedt deze zaak slechts een zwak steunpunt, aangezien het Hof hierin stelde dat Oostenrijk een ruime appreciatiemarge had om de activisten al dan niet te bestraffen. Dat is een andere situatie dan een nationale strafvervolging tegen privépersonen, waarin de staat volgens diezelfde logica ook een ruime appreciatiemarge zou hebben om dat net wel te doen. Wel interessant is de erkenning van het HVJEU dat de klimaatactivisten niet tot doel hadden om het vrije verkeer te belemmeren, maar louter in het openbaar uiting gaven aan een mening (§86). Schmidberger werd echter zowel bij Verlaeckt als bij de zeventien van Luik ontoepasselijk verklaard door de rechters.

[49] ILO, Freedom of Association. Compilation of Decisions of the Committee on Freedom of Association, 2018, 181, §969-971 en §973.

[50] Ibid., 178 en 180, §955 en §965-66.

[51] ILO, Report of the Committee of Experts on the Application of Conventions and Recommendations, General Survey on the fundamental Conventions concerning rights at work in light of the ILO Declaration on Social Justice for a Fair Globalization, 2012, 63-64, §158-159.

[52] Zie bijvoorbeeld CESCR, Concluding Observations: Republic of Korea, E/C.12/KOR/CO/4, 19 oktober 2017, 6, §38-39; CESCR, Concluding Observations: Guinea, E/C.12/1/Add.5, 28 mei 1996, 4, §16.

[53] UNHCR, General comment No. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 2020, CCPR/C/GC/37.

[54] Ibid., 15, §86.

[55] UNHRC, Joint report of the Special Rapporteur on the rights to freedom of peaceful assembly and of association and the Special Rapporteur on extrajudicial, summary or arbitrary executions on the proper management of assemblies, A/HRC/31/66, 4 februari 2016, §62.

[56] Ibid.

[57] ECSR 3 juli 2013, bezwaar nr. 85/2012 van 27 juni 2012, Swedish Trade Union Confederation (LO) en Swedish Confederation of Professional Employees (TCO)/Zweden, §119.

[58] FGTB, “Solidarité // Condamnation d'un délégué FGTB. Encore une…”, 28 februari 2022, https://fgtb.be/solidarite-condamnation (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).

[59] M. Rigaux, “Het arrest-Verlaeckt, of de limieten van de neoliberale tolerantie voor systeemkritiek”, Lava 17 april 2020, https://lavamedia.be/het-arrest-verlaeckt-of-de-limieten-van-de-neoliberale-tolerantie-voor-systeemkritiek/#De_rechtspraak_ten_dienste_van_de_gevestigde_orde (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).

[60] Zie https://www.facebook.com/rechtopprotest/ (laatst geconsulteerd 21 juli 2022).

[61] https://www.amnesty.org/en/what-we-do/freedom-of-expression/protest/ (laatst geconsulteerd 23 augustus 2022).

Deel dit artikel

   

Reageer

Reacties worden gemodereerd. Onaanvaardbare inhoud wordt niet gepubliceerd.