Armoedebestrijding: nood aan resultaatsverbintenis

05 januari 2012

Vandaag heeft het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (Steunpunt Armoedebestrijding) zijn zesde Tweejaarlijkse Verslag voorgesteld in aanwezigheid van enkele bevoegde beleidsmakers. Bij de overhandiging van het Verslag haakte Maggie De Block, Staatssecretaris voor Armoedebestrijding in op deze thematieken: “Als huisarts ben ik vaak geconfronteerd geweest met armoede die meestal verborgen blijft achter de voordeur. En ik weet heel goed: voor armoede bestaat er geen mirakeloplossing. Alle bevoegde instanties zullen moeten samenwerken aan duurzame oplossingen. Mijn rol daarbij is zorgen voor een doeltreffende coördinatie.”

Het verslag gaat dieper in op twee thema’s. Een eerste deel behandelt de woonproblematiek en zoekt naar beleidspistes in functie van een effectieve toepassing van het recht op wonen. Het tweede deel is gericht op de toekomstperspectieven van jongeren in armoede.

Recht op wonen

Het recht op een behoorlijke huisvesting mag dan wel in de Belgische Grondwet (artikel 23) opgenomen zijn, maar helaas is dat recht in de praktijk voor vele mensen verre van evident. Heel wat drempels op de woningmarkt zorgen ervoor dat mensen in armoede moeite hebben om een woning te vinden en te behouden. Ze worden geconfronteerd met een tekort aan betaalbare woningen, lange wachtlijsten voor een sociale woning, een slechte kwaliteit van de beschikbare huurwoningen, uitsluiting en zelfs discriminatie op basis van inkomen, afkomst of huidskleur op de private huurmarkt, …

Bij gebrek aan structurele maatregelen gaan mensen in armoede almaar vaker zelf op zoek naar alternatieven; ze verblijven permanent in een caravan of chalet, kraken een leegstaand pand, delen een huis met lotgenoten, werken mee aan de bouw van een woning of zoeken naar manieren om elkaar te ondersteunen bij de aankoop van een woning. “Maar deze alternatieve woonvormen moeten opboksen tegen halsstarrige stereotypen en onaangepaste reglementeringen. Zo bestraft het statuut van samenwonende de solidariteit tussen mensen die samen willen wonen. Of gemeenten weigeren om mensen die effectief op hun grondgebied wonen daar ook te domiciliëren, met verregaande gevolgen voor de bewoners”, zegt Henk Van Hootegem van het Steunpunt Armoedebestrijding. Hoewel deze alternatieve woonvormen vaak een laatste toevlucht of een – gedwongen – keuze zijn, kunnen ze voor vele bewoners van grote waarde zijn. “Het gaat om meer dan louter een dak boven hun hoofd; mensen zijn actor van hun eigen huisvesting, ze bouwen een positief zelfbeeld op, er zijn de mogelijkheden tot begeleiding en bovendien vormt de collectieve dimensie een dam tegen sociaal isolement. Het is dan ook belangrijk het concept van wonen te verruimen naar alternatieve woonvormen en deze te erkennen.”

Het Steunpunt pleit daarnaast voor een structureel woonbeleid met een resultaatsverbintenis. Van Hootegem: “Buitenlandse ervaringen leren dat een resultaatsverbintenis vanuit de overheid net door het afdwingbare karakter een stimulerend en sensibiliserend effect heeft in functie van de verhoging van het aanbod, bepaalde lacunes in de verf zet, mensen toelaat zichzelf als een actor en rechthebbende te gaan zien, … De instelling van een resultaatsverbintenis laat toe de logica om te keren: de toegang tot huisvesting is niet langer het mogelijke gevolg van beleidsbeslissingen, maar vormt er het uitgangspunt van.”

Jongeren in armoede

Het tweede deel van dit Verslag gaat dieper in op de kwetsbare positie van jongeren in armoede in onze samenleving. De overgang naar volwassenheid en een zelfstandig bestaan is in het bijzonder moeilijk voor jonge mensen die een voorziening voor bijzondere jeugdzorg verlaten. De jongeren worden geconfronteerd met breuken op het moment van de plaatsing, tijdens het verblijf, alsook op het moment van het verlaten van de instelling: op familiaal en sociaal vlak, in de schoolloopbaan, in de overgang van de jeugdhulpverlening naar het circuit van de volwassenenhulpverlening, …  “Paradoxaal is dat de jongeren, die zich al in een kwetsbare positie bevinden, er alleen voor staan om een woonst te zoeken, werk te zoeken en een inkomen te verkrijgen. Zorgverlaters komen terecht in een soort niemandsland. Het lijkt wel een periode waarin hun problemen opgestapeld worden in plaats van opgelost”, stelt Van Hootegem.

Deze paradox weegt ook zwaar op de zorgverleners. Wanneer zij deze jongeren willen begeleiden bij de overgang naar meerderjarigheid, stoten ze op de grenzen van hun organisatie. Het Verslag pleit dan ook voor meer continuïteit: investeren in de banden met hun familie, begeleiding met een vlottere overgang, verruiming van bepaalde reglementeringen, …

Voor Evelyne Huytebroeck, Franstalig minister voor Jeugd en Jeugdbijstand, moet de aandacht hierbij naar drie punten gaan: “het onderhouden van de band met de familie en de school is essentieel. Dat is één van de doelstellingen van jeugdbijstand en moet dat zeker ook blijven.” Daarnaast is het voor de Minister ook belangrijk om jongeren vanaf 17 jaar beter te ondersteunen in de overgangsperiode naar een autonoom bestaan. “Een samenwerkingsakkoord tussen de bijzondere jeugdzorg en de ocmw’s is bijna klaar en vormt een eerste stap in de goede richting.”

Ook jongeren in armoede die deeltijds leren en werken volgen, zitten op een belangrijke overgang: die van school naar werk. Dit deeltijds leren en werken kan een goed alternatief zijn voor het voltijds onderwijs indien voldoende aandacht kan gaan naar een begeleiding op maat en de verwerving van basiskennis. Het werkplekleren is een ander sleutelelement, maar ook hier spelen verschillende knelpunten. Van Hootegem: “Mobiliteit kan een probleem zijn: jongeren geraken niet altijd bij hun werkgever, omdat het bedrijf niet gemakkelijk bereikbaar is met het openbaar vervoer of de jongere de vervoerskosten moeilijk kan dragen.  Daarnaast is het voor sommige jongeren niet zo eenvoudig een werkgever te vinden, niet alleen omwille van de feit dat je daarvoor over voldoende vaardigheden en contacten moet beschikken, maar ook omdat er voor bepaalde opleidingen een tekort is aan werkplekken. De creatie van voldoende arbeidsplaatsen voor deze jongeren is daarom een prioriteit, net zoals de verdere harmonisering van de statuten en contracten verbonden aan de verschillende opleidingsformules en meer promotie voor het stelsel”.

Het Steunpunt Armoedebestrijding is opgericht door de federale Staat, de gewesten en gemeenschappen. De aanbevelingen van deze interfederale instelling zijn dan ook gericht aan alle overheden. Ze moeten dienen als bijdrage aan het politieke debat in het kader van een doorgedreven strijd tegen armoede.

U kan het Tweejaarlijks Verslag terugvinden op de website van het Steunpunt: www.armoedebestrijding.be

Deel dit artikel

   

Reageer

Reacties worden gemodereerd. Onaanvaardbare inhoud wordt niet gepubliceerd.